Conseil d'Etat de Belgique 30 octobre 2018

Texte intégral 242828 anonyme - 37,19K (document PDF, s’ouvrira dans un nouvel onglet)
Titre de communiqué de presse / résumé -
Numéro de communiqué de presse / résumé -
Texte intégral de comm presse -
Numéro ECLI -
Numéro ELI -
Langue originale de la décision néerlandais
Date du document 30/10/2018
Juridiction auteur Conseil d'État (BE)
Matière -
Matière EUROVOC
  • protection internationale
  • éloignement
  • regroupement familial
Disposition de droit national -
Disposition de droit de l'Union citée
Disposition de droit international -
Descriptif

Artikel 23.2 van richtlijn 2011/95 voorziet enkel de waarborg “dat gezinsleden van de persoon die internationale bescherming geniet die zelf niet in aanmerking komen voor dergelijke bescherming aanspraak kunnen maken op de in de artikelen 24 tot en met 35 genoemde voordelen, overeenkomstig de nationale procedures en voor zover verenigbaar met de persoonlijke juridische status van het gezinslid”. Wat de verblijfstitels betreft, voorziet artikel 24.1, tweede lid, van richtlijn 2011/95 dat “onverminderd het bepaalde in artikel 23, lid 1, […] de aan de gezinsleden van de personen met de vluchtelingenstatus af te geven verblijfstitel minder dan drie jaar geldig […] en verlengbaar [kan] zijn”. De voornoemde bepalingen voorzien dus net de mogelijkheid dat gezinsleden van de persoon die internationale bescherming geniet zelf deze beschermingsstatus niet krijgen doch dat hen overeenkomstig de nationale procedures een verblijfstitel wordt gegeven die minder dan drie jaar geldig kan zijn. Uit de door verzoekster zelf verstrekte gegevens blijkt, hetgeen niet wordt betwist, dat verzoekster een aanvraag om machtiging tot verblijf heeft ingediend met toepassing van artikel 9bis van de vreemdelingenwet en dat haar een A-kaart is verleend die telkens werd verlengd voor de duur van één jaar of van zes maanden. Vermits de Belgische wet voorziet in een procedure om verzoekster een verblijfsrecht toe te kennen dat tijdelijk en verlengbaar is, kon de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op wettige wijze oordelen dat verzoekster geen recht heeft op de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus, enkel als gezinslid van haar twee minderjarige kinderen met de vluchtelingenstatus, dat verzoekster overeenkomstig de nationale procedures een verblijfstitel kan bekomen en dat zij “aldus gebruik dient te maken van de geëigende procedures die zouden kunnen leiden tot een verblijfsrecht in België op basis van de gezins¬situatie”. Aan het voorgaande wordt geen afbreuk gedaan doordat te dezen geen gezinshereniging mogelijk zou zijn met toepassing van artikel 10, § 1, eerste lid, 7°, van de vreemdelingenwet omdat verzoeksters kinderen in België zijn geboren en er steeds hebben verbleven.